Spelen en leren: onderwijs geeft een verkeerd voorbeeld

De aanstaande beweging naar gratis kinderopvang houdt de gemoederen bezig.

Zowel de kinderopvang als sector en daarbinnen m.n. de ‘commerciëlen’, de ouderverenigingen en sommige deskundigen. Gek genoeg hoor je uit onderwijshoek niet zoveel. Dat maakt dit verhaal tweeledig. Waar komt die ‘drukte’ toch vandaan die zich toespitst op ‘spelen en leren’ en waarom hoor je niets uit de onderwijshoek? Bestuurder Ad Vos deelt hieronder zijn gedachten.

Allereerst dan maar die drukte over ‘spelen en leren’.

Ergo, het spelen mag geen leren worden. Of sterker laat kinderopvang, kinderopvang blijven en daarbij dan vooral geen kindcentrumontwikkeling en vooral niet gratis maken.
De vlag waaronder dit alles plaatsvindt, is die van het denken terecht te komen in een basisvoorzieningskeurslijf met dictaat en dat zal dan wel leiden tot een dwang bij jonge kinderen tot leren in plaats van spelen. Even los van ook nog mogelijk andere verborgen redenen die met winst en vermeend ondernemerschap te maken hebben, zit er een kleine kern van waarheid in en toch ook weer niet.

Wel een kern van waarheid komt door de bijzondere houding van ‘het gelijk’ waar het onderwijs een claim op denk te hebben.

Immers wie kent niet de stereotypie van het onderwijs als het gaat om eigenwijsheid, het vingertje, de betweterigheid. In 1985 heeft het ‘onderwijs’, m.n. het ‘lager onderwijs’ en in navolging het ministerie van onderwijs c.s. dat bewezen en natuurlijk een kapitale blunder begaan: het kleuteronderwijs werd ingelijfd in het lager onderwijs en de basisschool was geboren.

Het resultaat was dat het kleuteronderwijs ondersneeuwde en vervolgens ook nog eens de kleuteropleiding verdween. Het ‘spelen’ werd ‘leren’, vergezeld en steeds meer gestuurd door toetsen. Gelukkig is er de laatste jaren op dit punt een kentering te zien, mede ook door de ontwikkeling van kindcentra. Pedagogisch medewerkers blijken soms meer te weten van de ontwikkeling van het jonge kind dan leerkrachten basisonderwijs.

En daarmee kom ik op de stilte vanuit het onderwijs.

Ze zijn stil, denk ik, omdat ze niet weten hoe zij zich moeten verhouden tot ‘het jonge kind’. Een in beton gegoten sector voor kinderen van 4-13 jaar en eigenlijk misschien liever toch van 6-13 jaar, want ja, die kleuters? Wat moet je ermee? Onderwijs is nl. leren. Zelf het ministerie van OCW weet zich er geen raad mee, indachtig het project ‘de rijke schooldag’ waarbij kinderopvang als één van de velen samenwerkende partners van het onderwijs wordt gezien.

Maar wat dan?

Nou in ieder geval niet van de daken schreeuwen dat met de komende ontwikkelingen het jonge kind niet meer tot spelen gaat komen en ondergedompeld gaat worden in leren. Ik geloof daar niets van en vind daar ook geen waarheid in zitten. In weerwil van de sector ‘onderwijs’ en het ministerie van OCW is er een niet te stuiten ontwikkeling van kindcentra gaande waar kinderopvang en onderwijs elkaar opzoeken en elkaar vinden rond de ontwikkeling van kinderen, m.n. de jonge kinderen en de relatie leren en spelen in de BSO. Waar kinderopvang en onderwijs als gelijkwaardige (zelfs fusie)partners in de praktijk hand in hand optrekken en van elkaar leren, om niet de 1985-fout nog eens te maken.

Een kansrijke ontwikkeling waar kinderen uiteindelijk de winnaars blijken te zijn en niet de doemdenkers.

Zal de wal van kindcentra het schip keren?